Flexi-jobs

Eerste kwartaal 2026

Periodiciteit: Kwartaal

Laatste updates: 17/09/2026

In 2025 werd de NACE-nomenclatuur 2008 ingeruild voor de NACE-nomenclatuur 2025. Een heel aantal NACE-codes bleven overanderd, maar dat geldt zeker niet voor alle codes. Voor relevante data uit 2025, brengen we dan ook de verdeling van de gegevens naar NACE-sectie volgens de NACE 25 nomenclatuur. 
Gezien de specifieke samenstelling van de flexi-sectoren, heeft de vervanging van de NACE08 door de NACE25 geen invloed op de verdeling naar flexi-sectoren. Bijgevolg kunnen de cijfers van de voorgaande kwartalen zonder problemen vergeleken worden met de cijfers van 2025 en later.  
De Kruispuntbank Sociale Zekerheid (KSZ) kende vanaf 2021 tot eind 2024 problemen met het up to date houden van de woonplaatsgegevens en dat had ook gevolgen voor onze statistieken. Vanaf 2025 beschikken we over correcte woonplaatsgegevens en de onnauwkeurigheden werden ondertussen gecorrigeerd voor wat betreft de data uit de getroffen jaren. In de ruwe data vindt u voor wat betreft de kwartalen van 2021 tot en met 2024 dan ook de gecorrigeerde woonplaatsgegevens die kunnen afwijken van eerder gepubliceerde verdelingen naar woonplaats. Daarom vindt u er zowel de gecorrigeerde gegevens als de gegevens die we in het verleden publiceerden op basis van afwijkende KSZ-data. De gegevens van de voorgaande jaren zullen worden gecorrigeerd van zodra we over de gecorrigeerde gegevens beschikken.
 

Flexi-jobs bestaan sinds 1 december 2015 en zijn specifiek bedoeld voor mensen die al aan het werk of gepensioneerd zijn en willen bijklussen. Iemand die voldoende prestaties verricht bij een andere werkgever of werkgevers (minimum 80% tewerkstelling), kan bijverdienen met een flexi-job. De flexiwerknemer ontvangt daarvoor een nettoloon dat is vrijgesteld van belastingen en werknemersbijdragen. Alleen de RSZ-werkgeversbijdragen zijn verschuldigd. Voor meer details verwijzen we naar de instructies voor de werkgever en naar de website van de sociale zekerheid.

Er is geen beperking op het aantal uren dat iemand als flexi-werknemer mag presteren. Sinds 2024 is er wel een beperking op het jaarlijks loon dat een flexiwerker onbelast mag bijverdienen. Initieel ging het om 12.000 EUR, maar op 1 januari 2025 werd dat bedrag verhoogd tot 18.000 euro (voor 2026 bedraagt het geïndexeerde plafondbedrag 18.440 euro). Die beperking geldt echter niet voor wie gepensioneerd is.

Aanvankelijk waren flexi-jobs enkel bedoeld voor de Horeca, maar doorheen de tijd werd het systeem uitgebreid naar andere sectoren. Een volledige beschrijving van de flexi-jobs en de sectoren die er gebruik van kunnen maken, is beschikbaar in de instructies voor de werkgever. 

De ingrijpende uitbreiding in 2024, samen met een vernieuwde methodologie die werd ontwikkeld om statistieken rond bijzondere types van tewerkstelling (Flexi-jobs, extra’s in Horeca en in land- en tuinbouw, tewerkstelling met dienstencheques, studentenarbeid…) te kunnen publiceren, zijn de aanleiding geweest om dit gedeelte van het statistisch aanbod te herwerken. Een omstandige uitleg kan teruggevonden worden op de methodologische pagina. De bestanden zoals die gepubliceerd werden tot 2023, volgens de klassieke methodologie, zijn nog steeds beschikbaar via de link hieronder.

De statistische gegevens over de flexi-jobs tot en met 2023 kunnen hier geraadpleegd worden.

 

Senioren dragen flexi-jobs  

Hoewel 25- tot 29-jarigen met 16,2% van alle flexi-jobbers, de grootste groep vormen, heb je meer kans om een 65- tot 69-jarige flexi-werknemer op de werkvloer aan te treffen. Een op de 5 uren flexi-arbeid werd immers uitgevoerd door een 65- tot 69-jarige tegenover 1 op de 8 door 25- tot 29-jarigen. En ook de 70-plussers realiseren al 10% van de flexi-uren.

Ze doen dat trouwens meer en meer in de nieuwere flexi-sectoren die aan populariteit winnen. Dat wil echter niet zeggen dat de traditionele flexi-sectoren zoals de handel en de horeca aan populariteit inboeten. Ook zij blijven groeien. Zo steeg het aantal flexi-jobs in de handel in het eerste kwartaal van 2026 met 19,6% ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder. Het aantal flexi-jobs in de horeca nam in die periode nog toe met 6,2%.

Download hier de ruwe data die als basis dienen voor onze statistieken. 

Evolutie flexi-jobs naar flexi-sector vanaf het eerste kwartaal van 2016 tot en met het eerste kwartaal van 2026

Een eerste grafiek geeft mooi de evolutie weer van het aantal flexi-jobs en het arbeidsvolume in VTE naar flexi-sector per kwartaal. Tegelijk zien we duidelijk de verschillende uitbreidingen van het toepassingsgebied naar nieuwe flexi-sectoren zoals die werden ingevoerd sinds het systeem in 2015 specifiek voor de horeca ontstond. Sindsdien nam het aantal flexi-jobs, het arbeidsvolume en het aantal gebruikers stelselmatig toe. Een uitzondering op deze gestage toename is duidelijk merkbaar tijdens de Covid-pandemie in het tweede kwartaal van 2020. We merken in die periode vooral een daling van het aantal flexi-jobs en het arbeidsvolume in de horeca wat niet verwonderlijk is gezien de Covidmaatregelen waaraan de horecazaken onderworpen werden.  

Commentaar 

De verschillende sleutelmomenten in de uitbreiding van het aantal flexi-sectoren komen duidelijk naar voor. Aanvankelijk was het stelsel beperkt tot de horeca (en de uitzendkantoren voor wat uitzendkrachten in de horeca betreft). Vanaf 1 januari 2018 werden de flexi-sectoren uitgebreid met verschillende handelsactiviteiten, bakkerijen, kappers en schoonheidssalons. Op 1 januari 2023 breidde het aantal flexi-sectoren opnieuw uit met sport- en cultuur, en zorg- en gezondheid. Op 1 januari 2024 vond er opnieuw een grote uitbreiding plaats wanneer garages, autorijscholen, vervoer en logistiek, organisatie van evenementen, begrafenisondernemers, land- en tuinbouw, beheer van gebouwen en kinderopvang werden toegevoegd. Ook binnen de voedingsnijverheid werden de flexi-sectoren verder uitgebreid. Vanaf het tweede kwartaal van 2024 is het gebruik van flexi-jobs bovendien ook toegelaten in de kinderopvang en het onderwijs. In het eerste kwartaal van 2025 komt daar ook nog de zeevisserij bij. Een gedetailleerde beschrijving van die uitbreidingsgolven is terug te vinden in de administratieve instructies van de RSZ. 

Vanaf het derde kwartaal van 2026 wordt het voor alle activiteitstakken mogelijk om gebruik te maken van het systeem van de flexi-jobs mits er niet voor een opt-out wordt gekozen. Voor de statistieken over het derde kwartaal van 2026 is het echter wachten tot het voorjaar van 2027. 

Analyse van de flexi-jobs voor het eerste kwartaal 2026

Onderstaande grafiek toont dat zowel het aantal flexi-jobbers als het aantal flexi-jobs (arbeidsplaatsen) en het arbeidsvolume in VTE sterk toenamen ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar. Die stijging doet zich voor in alle flexi-sectoren.   

Wanneer we die cijfers meer in detail bekijken per flexi-sector dan merken we dat er wel wat variatie bestaat tussen die verschillende sectoren.  De grafiek toont voor het eerste kwartaal van 2026 een algemene stijging van het aantal flexi-werknemers en van het arbeidsvolume in VTE in alle sectoren ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder. De gegevens wijzen zowel op een verdere verankering van de oudere flexi-sectoren die al intensief gebruik maken van flexi-jobs (horeca en handel) als op een geleidelijke opmars van de meer recent toegevoegde flexi-sectoren.

Commentaar

Horeca 

In de horeca is het systeem van de flexi-job helemaal ingeburgerd. Tijdens het eerste kwartaal van 2026 nam het aantal flexi-jobs nog toe met 6,2% ten opzichte van dezelfde periode een jaar eerder. Het arbeidsvolume in VTE nam in het eerste kwartaal van 2026 toe met 6,9 % tegenover het eerste kwartaal van 2025.    

Handel 

In 2018 trad ook de handel toe tot het systeem van de flexi-jobs en ook daar winnen de flexi-jobs nog steeds aan populariteit. Ten opzichte van dezelfde periode in 2025, steeg het aantal flexi-jobs in de handel met 19,6% in het eerste kwartaal van 2026. Het arbeidsvolume nam toe met 20,2%.   

Voeding – bakkerij 

Bakkers mogen sinds 2018 gebruik maken van het systeem en ook daar is het gebruik van flexi-jobs nog steeds aan een opmars bezig. Ten opzichte van het eerste kwartaal 2025, steeg het aantal flexi-jobs met 8,3% in het eerste kwartaal van 2026. Het arbeidsvolume in VTE steeg in dezelfde periode met 9,7%. Het is niet onbelangrijk om op te merken dat het hier zowel gaat om de flexi-jobs gelinkt aan het verkopen van brood en banket als de flexi-jobs die te maken hebben met de productie daarvan.

Kappers en schoonheidssalons 

Hoewel ze ook al sinds 2018 tot de flexi-sectoren behoren, maken kappers en schoonheidssalons slechts in beperkte mate gebruik van het systeem van flexi-jobs. Niettemin steeg ook hier het aantal flexi-jobs met 25,1% in het eerste kwartaal van 2026 in vergelijking tot hetzelfde kwartaal een jaar eerder. Het arbeidsvolume steeg met 26,2%. 

Zorg en gezondheid 

Vanaf 2023 kwamen ook de zorg- en gezondheidssector in aanmerking voor flexi-jobs (weliswaar met uitzondering van verpleegkundige taken). Die nieuwe flexi-sectoren hebben aanvankelijk wat tijd nodig om het systeem ook daadwerkelijk in te zetten, maar na verloop van tijd vindt het gebruik van flexi-jobs toch ingang. Dat was ook hier het geval en dat blijkt duidelijk uit de cijfers. Het aantal flexi-jobs nam fors toe (+33,6%) en het VTE steeg zowaar nog met 34,1% in het eerste kwartaal van 2026 in vergelijking met dezelfde periode een jaar eerder. 

Publieke sector op provinciaal en lokaal niveau  

De publieke sector op provinciaal en lokaal niveau wordt hier afzonderlijk vermeld, maar het merendeel van de flexi-jobs die zij inzetten, situeren zich in de zorg- en gezondheidssector. Ook hier zien we zowel qua aantal flexi-jobs als arbeidsvolume opnieuw een sterke toename in het eerste kwartaal van 2026 ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar, al blijven de aantallen hier toch nog eerder beperkt.  

Sport- en cultuur 

Ook binnen die andere uitbreiding uit 2023, sport- en cultuur, zien we een sterke stijging van het aantal flexi-jobs en het arbeidsvolume in het eerste kwartaal van 2026 ten opzichte van het eerste kwartaal van 2025. De cijfers blijven echter nog redelijk beperkt. Sinds 1 januari 2024 bevat deze flexi-sector bovendien ook de functie van redder.     

Nieuwe flexi-sectoren vanaf 2024

Sinds het eerste kwartaal van 2024 werden de flexi-sectoren verder uitgebreid met vervoer en logistiek, begrafenisondernemers, garages, land- en tuinbouw, voedingsnijverheid (excl. bakkers), autorijscholen, beheer van gebouwen en de evenementensector. In het tweede kwartaal van 2024 kwamen er ook nog de kinderopvang en het onderwijs bij. Dat verklaart de relatief bescheiden aantallen voor wat betreft het aantal flexi-jobs en het arbeidsvolume in dat eerste kwartaal van 2025 voor een aantal van de nieuwe flexi-sectoren. De cijfers voor het eerste kwartaal van 2026 vertellen een heel ander verhaal. Ze maken duidelijk dat de flexi-tewerkstelling sterk aan populariteit wint in die nieuwere flexi-sectoren.   

De meest recente flexi-sector betreft de zeevisserij. Sinds het eerste kwartaal van 2025 is ook daar flexi-tewerkstelling mogelijk. Naar analogie met de voorgaande uitbreidingsgoven, nam ook hier de flexi-tewerkstelling een trage start, maar ondertussen wint het systeem ook hier aanpopulariteit zoals blijkt uit de cijfers voor het eerste kwartaal van 2026. 

Uitzendarbeid 

De flexi-jobs kunnen in de verschillende flexi-sectoren worden ingezet door uitzendondernemingen. Uitzendondernemingen zetten ook in op tools om ondernemingen makkelijk hun flexi-jobs te laten beheren. Ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar, steeg het aantal flexi-jobs via de uitzendsector met 19,7% in het eerste kwartaal van 2026. Het arbeidsvolume steeg met 19,4%.

In het eerste kwartaal van 2026 werd 41,4% van het gepresteerde arbeidsvolume in de flexi-jobs via de uitzendondernemingen uitgevoerd bij gebruikers binnen de groot- en detailhandel en 35,2% binnen de horeca. In het eerste kwartaal van 2025 zagen we gelijkaardige verhoudingen. 

Het profiel van de flexi-werknemer

Wie zit er nu achter die flexi-job? Zijn het vooral mannen of vrouwen, jongeren of ouderen die naast hun hoofdjob een fexi-job hebben? Binnen welke activiteitsector oefenen ze hun hoofdactiviteit uit? Die vragen proberen we hier te beantwoorden. We kijken daarbij niet langer naar het aantal arbeidsplaatsen, maar naar het aantal personen met een flexi-job. We bespreken achtereenvolgens de evolutie naar geslacht, naar leeftijdsklasse, naar woonplaats en naar hoofdjob tijdens het eerste kwartaal van 2026. 

Opdeling naar geslacht

Een eerste grafiek toont ons de opdeling naar geslacht van zowel het aantal personen dat minstens één flexi-job heeft uitgeoefend in het eerste kwartaal van 2026 als het arbeidsvolume in VTE dat ze vertegenwoordigen. 

Het valt meteen op dat meer vrouwen dan mannen kiezen voor een flexi-job in het eerste kwartaal van 2026 (52% tegenover 48%). Het totaalcijfer van het aantal personen die een flexi-job uitoefenen stijgt aanzienlijk in het eerste kwartaal van 2026 ten opzichte van dezelfde periode in 2025 en ook de verhoudingen man - vrouw evolueren. Hoewel de vrouwelijke flexi-jobbers nog steeds in de meerderheid zijn, neemt het aandeel mannelijke flexi-jobbers licht toe in het eerste kwartaal van 2026 ten opzichte van dezelfde periode in 2025. Voor wat betreft het arbeidsvolume in VTE merken we dat het aandeel van de mannelijke flexi-werknemers hoger is dan dat van hun vrouwelijke tegenhangers. In het eerste kwartaal van 2026 vertegenwoordigden de mannelijke flexi-jobbers 54% van het arbeidsvolume tegenover 53% een jaar eerder. 

Opdeling naar leeftijd

Onderstaande grafiek geeft de opdeling weer naar leeftijdsklasse en geslacht.

De flexi-jobs blijken voornamelijk populair te zijn bij relatief jonge werknemers die tussen de 25 en 34 jaar oud zijn en bij de ouderen die tussen de 60 en 69 jaar oud zijn. De leeftijdsklasse van 25 tot 29 jaar kent het hoogste aantal flexi-jobbers. 

In het eerste kwartaal van 2026 steeg het aantal flexi-jobbers in alle leeftijdsklassen ten opzichte van het eerste kwartaal van 2025. We zien de sterkste stijging bij de 70-plussers (+29,3%), de 45-49-jarigen (+19,3%) en de 55-59-jarigen (+18,3%). De evolutie wijst op een toenemend gebruik van de flexi-jobs bij de oudere werknemers. 

Daarnaast blijkt ook dat de verdeling van flexi-jobbers naar geslacht wijzigt naargelang de leeftijd. Vrouwen zijn in de meeste leeftijdsklassen in de meerderheid, terwijl mannen talrijker zijn onder de flexi-jobbers van 60 jaar en ouder. 

Wanneer we vervolgens het arbeidsvolume in VTE toevoegen aan de verdeling naar leeftijdsklasse (zie grafiek hieronder), zien we hoe de flexi-jobbers van 65-69 jaar in het eerste kwartaal van 2026 goed zijn voor 12,3% van alle flexi-jobbers. Ze vertegenwoordigen echter 20,1% van het totale arbeidsvolume. Meer algemeen zijn de werknemers van 60 jaar en ouder goed voor 27,6% van de flexi-jobbers, terwijl zij 42% van het totale arbeidsvolume in VTE realiseren. De 25- tot 29-jarigen vormen daarentegen de grootste groep flexi-jobbers (15,4%), maar hun aandeel in het arbeidsvolume blijft relatief beperkt (11,5%).

We kunnen aannemen dat de groep flexi-jobbers van 65 jaar en ouder vooral bestaat uit gepensioneerden die bijgevolg niet alleen veel vrije tijd hebben, maar ook niet onder het toepassingsgebied vallen van het maximumbedrag van 18.000 euro dat jaarlijks belastingvrij mag worden bijverdiend via het systeem van de flexi-jobs.  

 

Verdeling naar woonplaats  

Onderstaande grafieken geven een zicht op de geografische spreiding van het aantal flexi-werknemers en het arbeidsvolume in VTE op basis van de woonplaats van de flexi-werknemer.

Het valt onmiddellijk op dat het systeem zowel in het eerste kwartaal van 2026 als in dezelfde periode in 2025 populairder is in Vlaanderen dan in Wallonië en Brussel, maar het systeem wint al een tijdle aan populariteit onder de Waalse en Brusselse werknemers. Zo nam het aandeel van de flexi-jobbers uit het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toe in het eerste kwartaal van 2026 ten opzichte van het eerste kwartaal van 2025, namelijk van 12,1% naar 13,6% en van 2,8% naar 3,1%. Ook binnen het Vlaams en Waals gewest zijn er grote verschillen merkbaar zoals blijkt uit onderstaande grafiek.

In het eerste kwartaal van 2026 is het arrondissement Antwerpen de absolute koploper op gebied van flexi-tewerkstelling met een totaal van 20.218 flexi-werknemers, goed voor 3.581,1 VTE. Het arrondissement Gent is goed voor de tweede plaats met 12.353 flexi-werknemers (2.064,9 VTE). Daarna volgen de arrondissementen Turnhout en Hasselt met respectievelijk 11.223 en 10.662 flexi-werknemers en de arrondissementen Leuven (9.774 flexi-werknemers), Halle-Vilvoorde (9.472 flexi-xerknemers), Brugge (9.250 flexi-werknemers), Mechelen (8.291 flexi-werknemers), Kortrijk (7.765 flexi-werknemers), Aalst (6.893 flexi-werknemers) en Sint-Niklaas (6.008 travailleurs flexi). De flexi-tewerkstelling in de andere arrondissementen situeert zich onder de 6.000 flexi-werknemers. Dat geldt evenzeer voor de Waalse arrondissementen waar Luik de koploper is met 4.643 flexi-werknemers (870,5 VTE).

De flexi-jobbers en hun toelatingsvoorwaarde

Het uitoefenen van een flexi-job is voorbehouden voor werknemers die minstens 4/5de werken of gepensioneerd zijn. Deze toelatingsvoorwaarde wordt getoetst door Sigedis. Op basis van hun data kunnen we een beter beeld geven van de personen die een flexi-job uitoefenen.

Wat is nu het aandeel van gepensioneerden? Hoe zit het met de basistewerkstelling van de flexi-jobbers op basis waarvan ze worden toegelaten? En in welke activiteitsector situeert de hoofdjob van de flexi-werknemer zich? Dat bespreken we in wat volgt.

Aandeel gepensioneerden en werkenden onder de flexi-werknemers in het eerste kwartaal van 2026

Meer dan een kwart van van de flexi-jobbers in onze data is gepensioneerd terwijl het overgrote deel van de flexi-werknemers hun flexi-job uitoefenen naast hun andere job. 

De flexi-jobbers en hun basistewerkstelling

Hoe zit het nu met de basistewerkstelling van de flexi-jobbers? Kiezen ze voor flexi-tewerkstelling om nog niet benutte arbeidstijd op te vullen of is hun flexi-job een pure aanvulling op hun basistewerkstelling? Dat proberen we te achterhalen aan de hand van data die we mochten ontvangen van onze partner Sigedis.

Pro memorie, om in aanmerking te komen voor een flexi-job moet de werknemer bij één of meerdere werkgevers, andere dan de werkgever bij wie de flexi-job wordt uitgeoefend, een volume aan arbeidsprestaties geleverd hebben dat ten minste 80 % bedraagt van wat theoretisch mogelijk is in een voltijdse betrekking en dat tijdens het referentiekwartaal (t-3). Daarom maken we hieronder een onderscheid tussen flexi-werknemers met een basistewerkstellingspercentage tussen 80% en 95% en flexi-werknemers waarbij dat percentage hoger is dan 95%. 

Uit de cijfers van Sigedis blijkt dat 84% van de flexi-werknemers een basistewerkstellingspercentage heeft dat hoger is dan 95%. Het lijkt er dus op dat de meeste werknemers een flexi-job uitoefenen bovenop een volledige tewerkstelling en dat in alle leeftijdscategorieën.

Er is echter een evolutie merkbaar naargelang de leeftijd. Het aandeel flexi-jobbers met een tewerkstellingsgraad van meer dan 95% in hun hoofdjob neemt geleidelijk af, van 88% bij de 25- tot 29-jarigen tot 76% bij de 65- tot 69-jarigen. Tegelijkertijd stijgt het aandeel werknemers met een tewerkstellingsgraad tussen 80% en 95%, van 12% naar 24%.

De groep van 70 jaar en ouder is te beperkt vertegenwoordigd om de resultaten op een betrouwbare manier te kunnen interpreteren.  

De verhouding tussen volledige tewerkstelling en minder dan volledige tewerkstelling bij werknemers met een flexi-job vinden we trouwens ook terug in de volledige populatie werknemers. Voor meer cijfers over die populatie verwijzen we naar de gedetailleerde arbeidsmarktanalyse op onze website.  

Hieronder bekijken we de verdeling van de cijfers naar geslacht.

Het valt onmiddellijk op dat de beperkte groep flexi-jobbers met een basisewerkstellingspercentage tussen de 80% en de 95% voor 73% uit vrouwelijke flexi-werknemers bestaat. De verdeling naar leeftijd toont bovendien aan dat dat het geval is in alle besproken leeftijdscategorieën. De grote groep flexi-werknemers met een basistewerkstellingspercentage van meer dan 95% bestaat daarentegen ongeveer uit evenveel mannen als vrouwen (49% en 51%). Ook dat is zo goed als in alle leeftijdsklassen het geval. 

De grafiek hieronder geeft het aandeel van de flexi-jobbers weer naar het basistewerkstellingspercentage per activiteitstak van hun hoofdjob.

De grafiek bevestigt de algemene cijfers over de verschillende activiteitstakken heen en toont aan dat het merendeel van de flexi-jobbers een tewerkstellingspercentage heeft van meer dan 95% in zijn of haar hoofdjob. De horeca, de menselijke gezondheidszorg en de overige diensten lijken hier licht af te wijken van die algemene trend met iets hogere percentages binnen de categorie van het tewerkstellingspercentage tussen 80% en 95%, maar die cijfers weerspiegelen de tewerkstellingssituatie binnen die activiteitstakken. Het zijn namelijk stuk voor stuk activiteitstakken waar vaker met deeltijdse contracten gewerkt wordt.  

De flexi-jobbers en hun hoofdjob

Zoals toegelicht in de inleiding, gebruiken we vanaf 2025 de NACE 25 om de activiteitstakken af te bakenen en niet langer de NACE 08.

In welke activiteitsector situeert de hoofdjob van de flexi-werknemer zich? Alvorens die vraag te beantwoorden, moeten we eerst scherp stellen op het concept 'hoofdjob' dat we sinds 2024 gebruiken in de context van de flexi-jobs. Het gaat hier namelijk om de voornaamste activiteit van de flexi-werknemer in het besproken kwartaal (in ons geval het eerste kwartaal van 2026) en dat in tegenstelling tot de grafiek hierboven die de situatie weergeeft in het referentiekwartaal (in ons geval het tweede kwartaal van 2025). Voor meer informatie over het concept 'voornaamste activiteit' verwijzen we naar de methodologie. 

We beantwoorden de vraag vervolgens aan de hand van onderstaande grafiek die het percentage werknemers toont op het totaal aantal werknemers binnen de activiteitstak van hun hoofdjob die voor een flexi-job kiezen naast die hoofdjob.

Het aandeel werknemers dat er naast hun hoofdjob nog een flexi-job op nahoudt, is in alle activiteitstakken eerder beperkt. Het hoogste aandeel vinden we in de horeca- en hotelsector waar, in het eerste kwartaal van 2026, 5,1% van de werknemers die er hun hoofdjob uitoefenen, kiezen voor een flexi-job bij één of meer andere werkgevers. Voor alle duidelijkheid, die flexi-job oefenen ze niet noodzakelijk uit binnen dezelfde activiteitstak als hun hoofdjob.      

Evolutie van de populatie flexi-werknemers per flexisector

Naar geslacht

Onderstaande grafiek geeft de opdeling weer van de flexi-werknemers naar geslacht per flexi-sector.

Onder de flexi-jobbers zijn vrouwen in de meeste flexisectoren in de meerderheid, zowel in het eerste kwartaal van 2026 als in dezelfde periode van het voorgaande jaar. Dat geldt onder meer voor de horeca, de handel, de voedings- en bakkerijsector, de kappers- en schoonheidsverzorgings, de gezondheidszorg en de kinderopvang.

Verschillende sectoren die recent werden opengesteld voor flexi-jobs blijven echter (voorlopig) overwegend mannelijk. Dat is vooral het geval in de transport- en logistieke sector, de uitvaartsector, de garages, de rijscholen en de land- en tuinbouw. Dit kan deels worden verklaard doordat sommige van deze nieuwe sectoren traditioneel meer mannen aantrekken. Ook in het onderwijs zijn de mannen licht in de meerderheid onder de flexi-jobbers. Deze sector telt voorlopig echter nog slechts een beperkt aantal flexi-werknemers, namelijk 149 in totaal.

Tot slot onderscheidt de zeevisserij, de meest recente sector die tot het flexi-jobstelsel is toegetreden, zich door een bijna uitsluitend mannelijke aanwezigheid. Het gaat echter om een zeer kleine sector, met slechts 61 geregistreerde flexi-jobbers in het eerste kwartaal van 2026.

 

Opdeling naar leeftijd

Vervolgens kijken we naar de verdeling naar leeftijdsklasse per flexi-sector. Voor alle duidelijkheid, het gaat hier om de verdeling naar leeftijdsklasse binnen elke flexi-sector afzonderlijk.  

Binnen elke leeftijdsklasse nemen de flexisectoren horeca, handel en flexijobs via uitzendsector een dominante positie in. De grafieken tonen echter verder aan dat flexisectoren een erg verschillende leeftijdsverdeling kunnen hebben. Zo valt de op dat horeca vooral beroep doet op jonge werknemers van 25 tot 29 jaar en van 30 tot 34 jaar op. Een gelijkaardige tendens is zichtbaar in de sectoren van de kappers- en schoonheidsverzorging, sport en cultuur, en de evenementensector.

Andere sectoren recruteren meer flexijobbers vanaf 60 jaar en zelfs van 65, met name de handel en de gezondheidszorg, maar ook in verschillende sectoren die recent werden opengesteld voor flexi-jobs, zoals de uitvaartsector, transport en logistiek, garages, de publieke sector, het onderwijs en de rijscholen.

De uitzendsector trekt dan weer werknemers uit alle leeftijdscategorieën aan. De populariteit ervan is echter groter bij jongeren, vooral bij de 25- tot 29-jarigen en de 30- tot 34-jarigen. Zoals eerder vermeld, werd in het eerste kwartaal van 2026 41,4% van het arbeidsvolume dat in het kader van flexi-jobs via uitzendkantoren werd gepresteerd, gerealiseerd bij gebruikers uit de handel, tegenover 35,2% in de horeca.

   

Toelichting van de gebruikte methodologie

Hier lichten we de specifieke methodologie toe die we gebruikten voor de statistieken over de flexitewerkstelling. We bespreken achtereenvolgens de specifieke tellingsmethode, de variabelen, de kenmerken eigen aan de werkgever en de kenmerken eigen aan de werknemer.  

De specifieke tellingsmethode

Een aantal van de bijzondere tewerkstellingsvormen zoals de flexi-jobs, het gelegenheidswerk en de extra's in de horeca zijn als zodanig herkenbaar in de kwartaalaangifte op basis van de specifieke regelingen die voor hen zijn uitgewerkt. Dat geeft ons de mogelijkheid om voor die specifieke gevallen de klassieke telling op het einde van het kwartaal te laten vallen, en een telling te doen doorheen het kwartaal. Bovendien laten we voor die gevallen ook de link werknemer-werkgever los. Daardoor kunnen we tellen hoeveel personen dergelijke jobs uitoefenen, los van hun 'belangrijkste job' (in het andere geval zouden die bijjobs bij dezelfde werkgever verdwijnen) en hoeveel jobs een persoon uitoefent doorheen het kwartaal (maar ook bijvoorbeeld doorheen het jaar).

De variabelen

Het aantal flexi-jobs: Deze variabele geeft het aantal flexi-arbeidsplaatsen weer en houdt geen rekening met de persoon die de flexi-job uitoefent. Dat betekent concreet dat twee flexi-jobs die door één en dezelfde persoon worden uitgeoefend, als twee jobs in de statistieken worden opgenomen. Het gaat ons namelijk om het aantal flexi-arbeidsplaatsen ongeacht door hoeveel personen die worden ingevuld. Het is ook belangrijk om op te merken dat we hier geen gebruik maken van de klassieke telmethode op het einde van het kwartaal. Voor deze statistieken tellen we het aantal flexi-arbeidsplaatsen doorheen het kwartaal en we laten ook de link werkgever - werknemer los. 

Het aantal flexiwerknemers: Deze variabele telt het aantal personen met een flexijob doorheen het kwartaal en wijkt dus af van de klassieke telmethode die naar het einde van het kwartaal kijkt. Hier ligt de focus op de persoon achter de flexi-job. Indien meerdere flexi-jobs door één en dezelfde persoon worden uitgeoefend, zal de persoon in deze statistieken toch maar één keer voorkomen (dat is niet het geval bij de variabele 'aantal flexi-jobs' zoals hierboven uiteengezet). Wanneer het aantal flexiwerknemers wordt verdeeld naar werkgeverskenmerken (bijv. de flexisectoren) dan  wordt de flexiwerknemer toegewezen aan de kenmerken van zijn "belangrijkste" flexi-job (de job met hoogste loon voor de ganse periode). 

De bezoldiging: De bezoldigingen die we vermelden in onze statistieken over de flexi-jobs komen overeen met het brutoloon van de werknemers. In tegenstelling tot de meeste andere tewerkstellingsvormen zijn er in het geval van flexi-jobs geen RSZ- werknemersbijdragen verschuldigd en worden die bezoldigingen ook niet belast. Daardoor komt het brutoloon hier overeen met het nettoloon dat de flexi-jobber ontvangt. Op dit brutoloon is een werkgeversbijdrage verschuldigd van 28%. Voor de algemene definitie van het concept bezoldiging zoals we het gebruiken op onze website verwijzen we naar onze globale methodologie.

Kenmerken eigen aan de werkgever

Het toepassingsgebied van de flexi-jobs en de link met de ‘flexisectoren’

Om het toepassingsgebied van flexi-jobs af te bakenen – bij welke werkgevers voor welke functies – maakt de wetgever gebruik van verschillende criteria, en deze zijn in de loop van de tijd al meerdere keren aangepast. Bijkomende informatie omtrent de reglementering is te vinden op de website van de FOD WASO of in de administratieve instructies van de RSZ die online raadpleegbaar zijn. 

Voor onze flexi-job-statistieken proberen we een benadering te maken van het specifieke toepassingsgebied waartoe de flexi-job behoort. Voor deze ad-hoc-classificatie in ‘flexisectoren’ baseren we ons zo goed mogelijk op de criteria die opgesomd staan in de administratieve instructies van de RSZ, met name paritair comité, werkgeverscategorie, Nacebel-code van werkgever of functie. Deze indeling in flexisectoren wijkt dus af van de gebruikelijke activiteitsindeling op basis van de hoofdactiviteit van de werkgever (NACE). De toewijzing aan een flexisector is niet altijd eenduidig, en niet alle criteria konden in de afbakening weerhouden worden, zodat een beperkt aantal gevallen niet of niet volledig correct konden worden bepaald.

Voor flexi-jobs die worden tewerkgesteld via een uitzendonderneming kan deze ad-hoc-classificatie niet gebruikt worden. Ze vormen een aparte flexisector.

Download hier het codebestand waarin activiteiten in flexisectoren worden ingedeeld o.a. op basis van NACE08.

Download hier het codebestand waarin activiteiten in flexisectoren worden ingedeeld o.a. op basis van NACE25.

Kenmerken eigen aan de werknemer

Woonplaats

Voor de woonplaats van de flexiwerknemer maken we een opdeling per bestuurlijk arrondissement. België telt 43 bestuurlijke arrondissementen. We maken daarvoor gebruik van de NIS-code van Statbel. Het betreft de hoofdverblijfplaats van de flexiwerknemer op het einde van het kwartaal.

Deze geografische spreiding is een goede benadering voor de spreiding volgens plaats van tewerkstelling. We gaan er namelijk van uit dat de gemiddelde flexiwerknemer op zoek gaat naar een flexijob dicht bij huis om de pendelafstand te beperken.

We maakten hier de keuze om te werken het werknemerskenmerk 'woonplaats' en niet met het werkgeverskenmerk 'plaats van tewerkstelling'. Onze data laten nochtans ook dat type bevraging toe, maar de flexi-jobs die worden geregeld via de interimsector zorgen daar voor een vertekend beeld. De plaats van tewerkstelling is in die gevallen eerder virtueel (in essentie gaat het dan om de sociale zetel van het interimkantoor).

Voor meer informatie over dit werknemerskenmerk verwijzen we naar de toelichting van globale methodologie van onze statsitieken.    

Leeftijd

De verschillende flexiwerknemers worden ingedeeld in één van de volgende 5 leeftijdsklassen: jonger dan 25 jaar; van 25 tot en met 39 jaar; van 40 tot en met 49 jaar; van 50 tot en met 64 jaar en 65+. Het betreft de leeftijd van de flexiwerknemer op het einde van het kwartaal.

Geslacht

Voor wat het geslacht van de flexiwerknemers betreft, maken we gebruik van de klassieke opdeling vrouw-man zoals gebruikelijk is in onze statistieken.  

De gegevens over de hoofdjob van de flexiwerknemer

Om een flexi-job te kunnen uitoefenen moet betrokkene bij één of meerdere werkgevers, andere dan de werkgever bij wie de flexi-job wordt uitgeoefend, een volume aan arbeidsprestaties geleverd hebben dat ten minste 80 % bedraagt van wat theoretisch mogelijk is in een voltijdse betrekking. Het is echter niet zo dat je een 4/5de betrekking moet hebben om in aanmerking te komen voor een flexi-job aangezien de som van alle betrekkingen minstens 80% van een voltijdse betrekking moet bedragen. Het betreft bovendien de tewerkstelling in het derde kwartaal vóór het kwartaal waarin de flexi-job wordt uitgevoerd (t-3) omdat de controlediensten die toezien op de naleving van die voorwaarde over stabiele gegevens moeten kunnen beschikken.

Voor de statistiek over de hoofdjob van de flexiwerknemer maken we echter geen gebruik van de gegevens die slaan op het kwartaal t-3. In onze statistieken is iemands hoofdjob dan de  tewerkstelling van die persoon in het (meest recente) besproken kwartaal. Het gaat over de voornaamste activiteit van de flexiwerknemer en bijgevolg komt dezelfde persoon slechts in één van de activiteitstakken voor, namelijk de activiteitstak waar zij/hij haar/zijn voornaamste activiteit - de hoofdjob - uitoefent.